
In de afgelopen maanden heb ik veel gelezen over arbeidsmigranten in Apeldoorn.
Ik lees over regels en verordeningen.
Over spreiding, overlast, handhaving en woonvormen.
Ik lees politieke debatten en beleidsstukken.
Maar terwijl ik dat allemaal lees, mis ik iets.
Ik mis de stemmen van de mensen zelf.
Onlangs sprak ik een vrouw uit Roemenië. Zij kwam niet naar Nederland als arbeidsmigrant, maar om persoonlijke redenen. In Roemenië was zij advocaat en jurist. Zij had daar een beroep, een status, een duidelijke identiteit.
In Nederland is dat anders, vertelde ze mij.
Hier wordt zij vooral gezien als “iemand uit het buitenland”.
Iemand met een accent.
Iemand die de taal niet perfect spreekt.
Het viel haar op hoe snel mensen in één categorie worden geplaatst. Ze vertelde mij dat daardoor het onderwerp arbeidsmigratie haar zo raakt.
Omdat zij ziet hoe gemakkelijk er over mensen wordt gesproken, zonder hen werkelijk te horen.
Vorig jaar werkte zij in een winkel.
Daar had zij dagelijks contact met Roemeense en Bulgaarse arbeidsmigranten.
Niet als “doelgroep”, maar als collega’s, klanten, mensen met wie je praat tijdens een koffiepauze of aan het einde van een lange werkdag.
Zij stelde hen vragen. Gewone vragen.
Waar woon je?
Hoeveel werk je?
Vind je je werk zwaar?
Voel je je hier welkom?
Veel van haar collega’s die uit het buitenland kwamen waren positief, ze stonden vroeg op – vaak om vijf uur ’s ochtends – en werkten tot drie uur ’s middags.
Sommigen werkten ook op zaterdag of zondag, niet omdat het moest, maar omdat ze extra geld wilden verdienen.
Geld voor thuis.
Voor hun kinderen.
Voor later.
Die mentaliteit herkende zij meteen.
Het was de mentaliteit waarmee zij zelf was opgegroeid.
Hard werken. Niet zeuren. Doorgaan.
Sommigen woonden in een woongemeenschap. Anderen hadden een eigen appartement dat door de werkgever werd geregeld.
Was alles perfect? Nee. Natuurlijk niet. Maar opvallend genoeg vertelden velen haar niet dat zij ontevreden waren.
Wat zij wél benadrukten, was hoe belangrijk het voor hen was om serieus genomen te worden.
Als er een probleem was en een werkgever luisterde écht, dan waren zij dankbaar.
Niet omdat zij hun rechten niet kennen, maar omdat respect voor hen het verschil maakt.
Bijna allemaal vertelden zij haar dat zij uiteindelijk weer zouden terugkeren naar Roemenië.
In Nederland zijn, zo zeiden zij, is een fase. Een periode. Werken. Sparen. Terugkeren.
Wat zij mist in het debat, is nuance.
Arbeidsmigranten worden óf neergezet als slachtoffers, óf als probleem.
Zelden als mensen met eigen keuzes, waarden en trots.
De arbeidsmigrant heeft, in haar ervaring, een goed hart.
Niet vanwege afkomst, maar omdat het om mensen gaat.
Waar tolerantie en begrip worden gevoeld, groeit betrokkenheid.
Mensen werken beter, voelen zich gelukkiger en blijven loyaal.
En terwijl zij dit vertelde, stelde zij zichzelf een simpele vraag:
geldt dit niet voor iedereen?
Voor Nederlanders.
Voor Polen.
Voor Bulgaren.
Voor iedereen die wil bijdragen en gezien wil worden.
Misschien, zei ze, voelt zij dit alles zo sterk omdat zij zelf tussen twee werelden leeft.
Zij is geen arbeidsmigrant, maar deelt wel de taal, de cultuur en het gevoel van “niet helemaal hier horen”.
Zij begrijpt de Nederlandse zorgen over leefbaarheid en overlast. Maar zij begrijpt ook de arbeidsmigrant die ’s avonds moe thuiskomt en gewoon rust wil.
Wat haar raakte, is hoe weinig deze werelden elkaar werkelijk ontmoeten.
Haar verhaal bleef bij mij hangen.
Wie spreekt eigenlijk met arbeidsmigranten, in plaats van over hen?
Wie vraagt hen wat zij nodig hebben om goed te wonen en te werken?
Wie ziet de mens achter het woord?
Regels zijn nodig.
Handhaving is nodig.
Beleid is nodig.
Maar zonder menselijkheid blijven het lege woorden. Achter elk dossier, elke regeling en elke verordening staan mensen.
En pas als we hen echt zien, kunnen we zeggen dat we recht doen aan dit onderwerp. Is dat wellicht een mooie gedachte met deze feestdagen?
Lilian Haak – raadslid